Lineair B

Het Lineair B werd in 1900 ontdekt te Knossos in centraal-Kreta door archeoloog Arthur Evans. Het noteert een archaïsche vorm van de Griekse taal, het zogenaamde Myceens. Lineair B, een in hoofdzaak syllabisch schrift, is opgebouwd uit 88 tekens en elk symbool staat voor een open lettergreep (ta, po, …) of een klinker. Naast de syllabische tekens zijn er ook meer dan 100 ideogrammen die onder andere fysieke objecten, maten en gewichten voorstellen. Het Lineair B is gebaseerd op het Lineair A, waarmee een tot dusver niet-geïdentificeerde taal werd genoteerd.

In de tijd vóór het Myceens en het Lineair B, kende het eiland Kreta een bloeiende paleiscultuur. De Kretenzers waren een niet-Indo-Europees volk met een niet-Indo-Europese taal die in de eerste helft van het tweede millennium voor Christus in schriftelijke vorm werd weergegeven met behulp van een Kretenzisch hiëroglyfisch schrift. Rond de 18e-17e eeuw v.C. ontwikkelde dit schrift zich tot het Lineair A, dat het invloedrijkste Egeïsche schriftsysteem werd tot circa 1450 v.C.

Rond 2000 v.C., tijdens de bloeiperiode van de Kretenzische Minoïsche cultuur, vormde het Egeïsche schiereiland het toneel van immigraties. De eerste Grieken (die ook een vroege vorm van Grieks spraken) vielen het vasteland binnen en vermengden zich met de plaatselijke voor-Indo-Europese bevolking. Geleidelijk aan vormde zich een Myceense paleisbeschaving die echter overschaduwd bleef door Kreta. Oorspronkelijk gebruikte men dan ook het Lineair A schrift op het Griekse vasteland, al kwam daar langzaam verandering in.

Er zijn meerdere vigerende theorieën volgens welke het Lineair B uit het Lineair A is geëvolueerd.

In ieder geval werd Kreta rond 1450 v.C. geteisterd door enkele natuurrampen die haar paleisbeschaving danig hebben verzwakt. De Myceners konden hieruit voordeel halen en verwierven een dominante positie op Kreta en in het Egeïsche gebied. Het Lineair B verdween langzaam op het einde van de 13e eeuw v.C., toen het Middellandse Zeegebied in oproer raakte door allerlei immigraties en de komst van de Zeevolkeren. De zogenaamde “Duistere Eeuwen” braken aan. Tezamen met de paleiscultuur verdween het Lineair B. Enkele eeuwen hierna (ca. achtste eeuw v.C.) zou het alfabetisch schrift zijn opwachting maken om de Griekse taal opnieuw van een schriftelijke weergave te voorzien.

De schrijvers van de kleitabletten in de Myceense paleisbeschavingen gingen het Lineair B hanteren, omdat ze naar een schrift verlangden dat beter geschikt was om hun eigen taal weer te geven. Toch is het duidelijk dat het Grieks van het Lineair B geen taal was die effectief zo werd gesproken , noch een weergave was van linguïstische verschillen tussen bepaalde streken: van Pylos tot Knossos, van Mycene tot Tiryns vinden we dezelfde uniformiteit terug. Ook werd het Lineair B niet aangewend voor literaire doeleinden; gedichten en andere vormen van literaire creatie werden mondeling doorgegeven van generatie op generatie. De voornaamste drijfveer werd ingegeven door de economische noodzaak: de Myceense paleisadministratie had behoefte aan een taal met een officiële status, met standaardzinnen en administratieve formules. Deze behoefte werd met de komst van het Lineair B enigszins ingevuld.

Tussen 1750 en 1900 werden verscheidene schriftsystemen succesvol ontcijferd, zoals het hiërogliefenschrift en het Oud-Cypriotisch schrift, en daaruit leerde men veel over hoe schriftsystemen werken. Het aantal tekens is een belangrijke indicator. Zijn het er minder dan dertig, dan zijn de tekens waarschijnlijk klanken, zijn het er meer, dan zijn het lettergrepen. Als het er vele duizenden zijn, dan zijn het begrippen. Een schrift kan verder uit verschillende soorten tekens bestaan. Ons eigen schrift heeft naast een alfabet ook leestekens en symbolen, zoals +, €, … Tekens die geen klanken voorstellen, staan waarschijnlijk eerder apart of in bijzondere contexten. Als men denkt dat een tekenreeks een eigennaam voorstelt, kan dat bovendien een grote hulp zijn omdat men van eigennamen ongeveer weet hoe ze uitgesproken worden.

Arthur John Evans (1851-1941) was als Brits archeoloog en conservator bij het Ashmolean Museum te Oxford de ontdekker van de drie Minoïsche schriften: het „hiëroglifische“, Lineair A en Lineair B.

Bij de opgravingen in de jaren 1870 van Mycene door Heinrich Schliemann, stond de wereld verbaasd over de daar aangetroffen schatten en kunst. Ondanks het ontbreken van natuurlijke rijkdommen, bleek het om een rijke en hoogstaande beschaving te gaan, zoals ook in de Homerische geschriften aangegeven werd. Evans kwam tot de conclusie dat deze beschaving met zijn economische structuren en gespecialiseerde techniek niet had kunnen bestaan zonder schrift. Hij wist dat het niet om een alfabetisch schrift kon gaan (het alfabet kwam pas 200-300 jaar na de val van Mycene uit Fenicië naar Griekenland), maar er werden ook geen inscripties of andere schriftvondsten aangetroffen in de graven en paleizen.

Toen Evans in 1893 in Atheense antiquiteitenwinkels gegraveerde zegelstenen aantrof, herinnerde hij zich een soortgelijk exemplaar uit Kreta, die Greville Chester hem ooit toonde. Hij bestudeerde de gravures, vond regelmatige herhalingen en combinaties van beelden en raakte ervan overtuigd dat het om pictografische tekens ging, die leken op de Egyptische hiërogliefen. In 1894 zocht hij samen met zijn assistent John Myres in Kreta naar de oorsprong van deze stenen. Hij vond er meerdere die door Kretenzische boerinnen werden gedragen als amuletten en γαλόπετρα of melkstenen werden genoemd. Verder vond hij in Psychro een plengoffertafel met lineaire tekens (Lineair A).

Evans besefte dat deze melkstenen niet zouden hebben kunnen volstaan om de administratie van de toenmalige maatschappij te ondersteunen. Zijn aandacht ging uit naar de Κεφάλα Τσελεμπῆ (in de literatuur de „Kephala-heuvel“ genoemd), waaronder Knossos lag. Schliemann had deze site al tegen het einde van zijn leven willen uitgraven, maar kon de hand niet leggen op het grondareaal. Deze moeilijkheden vloeiden gedeeltelijk voort uit de toenmalige Ottomaanse overheersing van het gebied. Eind 1899 werd Kreta echter bevrijd van de Turken, wat Evans in staat stelde de Kephala-heuvel te verwerven en uit te graven. Zijn eerste doel was toen het schrift vinden, en hij werd niet ontgoocheld: na één week vond hij al kleitabletten met lineair schrift (Lineair B).

Aan de hand van zijn vondsten kon Evans een indeling maken van de schriftstijlen: 1. semi-pictografische (het schrift van de γαλόπετρα dat ook werd teruggevonden op kleitabletten in Knossos. Evans zelf noemde het de „hiëroglifische“ stijl vanwege de gelijkenis met de Egyptische hiërogliefen) 2. twee lineaire schriften, namelijk

Evans deelde de drie schriften ook chronologisch in, in drie periodes: de periode van ca. 2000-1650 v. Chr. voor het semi-pictografische schrift, de periode van ca. 1750-1450 voor Lineair A dat na een eventueel kort parallel bestaan werd opgevolgd door het Lineair B.

Wat de Lineair B-tabletten betreft, deed Evans bovendien andere belangrijke observaties: 1. Het ging om een syllabair schrift. Het aantal tekens (ca. 90) was te groot voor een alfabetisch schrift maar te klein voor een pictografisch schrift. 2. De inhoud was van zuiver administratieve aard. De tabletten waren registers van de inventarissen van de paleizen. Het thema van elk tablet werd door een pictogram aangegeven (bijvoorbeeld een kar of een slaaf). Er waren ook vele tekens voor telwoorden.

Evans heeft geprobeerd om het Lineair B te ontcijferen. Hij merkte onder meer op dat er meerdere tekens waren die leken op het Cypriotische syllabaire schrift. In het ontcijferen slaagde hij echter niet. Zijn pogingen waren namelijk niet systematisch genoeg en zijn methode was onvoldoende gedocumenteerd. Het publiceren van kleitabletten ging ontzettend traag. Evans verloor zijn motivatie toen hij niet in staat bleek het schrift te ontcijferen. Naarmate de Eerste Wereldoorlog dichterbij kwam, begon zijn aandacht meer en meer te verschuiven naar het paleis zelf, wat resulteerde in het werk The Palace of Minos. Het was zijn bedoeling dat zijn Scripta Minoa I van 1909, over het semi-pictografische schrift, zou worden opgevolgd door een tweede deel over de Lineaire schriften. Toen hij in 1941 stierf, op negentigjarige leeftijd, was het werk verre van af. Myres ondernam de moeilijke taak om de wanordelijke aantekeningen van Evans om te werken tot een boek en slaagde daar uiteindelijk in met de verschijning van Scripta Minoa II in 1952.

Wat het ontcijferingproces verder vertraagde was het feit dat Evans zeer onwillig was om andere onderzoekers het door hem opgegraven materiaal te laten publiceren. Hij werd bijvoorbeeld heel kwaad op de Finse professor Johannes Sundwall toen die 38 van de kleitabletten van Knossos publiceerde.

Evans zette bovendien de hele filologie op het verkeerde spoor met de bewering dat het Lineair B geen Grieks was. Hij argumenteerde dat zijn archeologisch onderzoek wees op een zeer geleidelijke ontwikkeling van de Kretenzische beschaving, zonder breuklijnen. Volgens hem had een niet-Grieks volk de macht in Knossos in handen gehad tot de ondergang van het paleis ca. 1450. Door zijn Knossocentrisme ging hij zelfs zover te beweren dat Mycene, Pylos en de overige Myceense steden door Knossos gestichte kolonies waren. Door Evans‘ grote autoriteit durfden zeer weinigen het aan een andere mening te uiten: Alan J.B. Wace bijvoorbeeld verloor in 1923 zijn positie aan de Britse school in Athene en werd geweerd uit archeologische opgravingen omdat hij had beweerd dat de Myceners Griekstalig waren. Toen A.E. Cowley door vergelijking met het Cypriotisch syllabairschrift in 1927 onder meer de woorden κοῦρος (jongen) en κούρη (meisje) correct kon ontcijferen, werkte hij dit niet verder uit, omdat hij zo overtuigd was van Evans’ standpunten.

Na Evans‘ Scripta Minoa I (1909) bleef het veertig jaar grotendeels stil rond het lineair B. In 1945 leverde Alice Kober het bewijs dat lineair B inflectie heeft. Ze ging op zoek naar woorden met dezelfde stam en een verschillende uitgang, die ze trachtte te onderscheiden van sterk op elkaar gelijkende stammen. Hiervoor deed ze een groot beroep op de context: dezelfde woorden worden immers gebruikt als het over dezelfde zaken gaat. Hele lange woorden zijn ook een goede indicator, omdat ze heel veel (dezelfde) tekens hebben. Verder kan frequente afwisseling tussen twee tekens wijzen op uitgangen. In 1946 ontdekte ze dat in een lijst van woorden met een daaropvolgend getal alle woorden waarschijnlijk in dezelfde naamval staan. Een frequent terugkerend teken op het einde van een woord kan dan een inflectieuitgang zijn, al kan het ook om verschillen in geslacht of een adjectivische vorm gaan. Op deze manier vond ze drie naamvallen van twee verschillende ‚verbuigingen‘. In 1948, twee jaar voor haar dood, vond ze nog wat ze zelf noemde ‚het begin van een hypothetisch klankpatroon‘. Ze had tien tekens gevonden die elk hun klinker deelden met vijf andere tekens en een medeklinker met één ander teken. Ze kwam hierop doordat er soms één teken werd gebruikt voor de laatste letter van de stam en de eerste letter van de uitgang. Achteraf bleek ook dit volledig te kloppen.

Vóór 1951 waren er wel al foto’s gemaakt van vele kleitabletten bij hun ontdekking, maar enkel een aantal voorbeelden van Lineair B waren effectief gepubliceerd. In 1951 werden de eerste twee volledige corpora van Lineair B beschikbaar, wat een boost betekende voor het onderzoek. Er was nu immers meer materiaal beschikbaar en zowel de tabletten als de afzonderlijke tekens werden op een overzichtelijke manier geordend. Emmett Bennett publiceerde de tabletten van Pylos, John Myres die van Knossos. Myres vervolledigde het werk van zijn inmiddels overleden vriend op basis van diens notities en gaf het de titel het Scripta Minoa II.

Het was Michael Ventris die voor de uiteindelijke ontcijfering zorgde. In 1948 stuurde hij een rondvraag over Lineair B naar onderzoekers over de hele wereld. Hieruit bleek duidelijk dat niemand verwachtte dat Lineair B Grieks zou zijn. Hierna schreef hij twintig Work Notes die op een redelijk informele manier de vorderingen in zijn onderzoek veraanschouwelijkten. Deze ietwat onconventionele manier van werken wekt weinig verbazing, daar Ventris als architect geen professioneel onderzoeker of cryptograaf was. Het hoofdinstrument in de ontcijfering was Ventris‘ ‚lettergrepentabel‘. In de verschillende kolommen hiervan zette hij tekens waarvan hij vermoedde dat ze dezelfde klinkers hadden. Lettergrepen met vermoedelijk dezelfde medeklinkers zette hij in de verschillende rijen. Deze tabel paste hij dan steeds aan. Hij volgde hierbij Kobers ‚hypothetische klankpatroon‘ maar ging dus nog een stap verder en werkte veel hypothetischer. In het begin was één derde correct, op het einde drie vierde, zo bleek achteraf. Hij suggereerde verder ook fonetische waarden. Door het informele karakter van zijn Work Notes kon hij daar immers makkelijker suggesties doen waarvan hij niet volledig zeker was. Een belangrijke stap voorwaarts kwam er nadat Ventris in zijn onderzoek op een tablet uit Ugarit stootte dat bijdrages van verschillende plaatselijke steden vermeldde. Daar de namen van plaatsen vaak lange tijd ongewijzigd blijven, en vele oude plaatsnamen ook bekend waren, ging hij op zoek naar een gelijkaardig lineair B-tablet uit Knossos. Door zijn gesuggereerde klankwaarden in te vullen kwam hij bij een bepaald woord tot a-.i-ni. Dit leek zeer sterk op ‚Amnisos‘, een haven in de buurt van Knossos, enkel een ‚m‘ en een ’s‘ moesten nog ingevuld worden. Twee woorden die volgens Kober in dezelfde naamval stonden en dus dezelfde uitgang hadden, kon hij nu invullen tot .o-no-so en ..-.i-so, wat sterk leek op de steden ‚Knossos‘ en ‚Tylissos‘. Door speculatief klanken in te vullen vond hij steeds meer woorden en zekerheid over klanken in die woorden. Zo werd het steeds helderder dat het wel degelijk om Grieks ging. Toen Ventris zijn resultaten bekendmaakte, kwam dit ter ore van John Chadwick, een jonge classicus. Ze besloten samen te werken en in 1953 publiceerden ze een artikel getiteld Evidence for Greek Dialect in the Mycenaean Archives. Drie jaar later publiceerden ze zelfs een boek samen, maar Ventris zag dit nooit verschijnen omdat hij overleed na een auto-ongeluk.

Geen enkele klankwaarde uit het artikel van Ventris en Chadwick moest worden herzien. Er kwam bevestiging van de ontcijfering door de ontdekking van een nieuw tablet waarop ti-ri-po (‚driepoot‘) stond naast getekende driepoten en a-no-we, ti-ri-jo-we en qe-to-ro-we (‚zonder oren‘, ‚met drie oren‘, respectievelijk ‚met vier oren‘), naast potten met evenveel oren. De enige belangrijke verfijning was het toevoegen van een nieuwe klasse syllabogram in de vorm van medeklinker + halfklinker + klinker.

De meeste fragmenten in het Lineair B zijn teruggevonden op kleitabletten, die aangetroffen werden in paleizen. Elk paleis is het administratieve centrum van een Myceense staat, namelijk Thebe (393 kleitabletten) in Boeotië, Pylos (1087 kleitabletten) in Messenië, Mycene (73 kleitabletten) en Tiryns (24 kleitabletten) in Argolis, Knossos (4149 kleitabletten) in het noordelijke deel van het centrale Kreta. Sommige tabletten (5) zijn afkomstig uit Chania in het westen van Kreta. Andere belangrijke centra, zoals Midea in Argolis en Dimini in Thessalië, hebben (nog) geen kleitabletten opgeleverd. Alle paleiscentra zijn uiteindelijk vernietigd en verbrand. De grote hitte bewerkstelligde de (onvoorziene) bewaring van de kleitabletten.

Op alle locaties waar men kleitabletten heeft ontdekt, werden ook beschreven vaasscherven aangetroffen (Thebe: 71; Tiryns: 44, Chania: 28 en Mycene: 12; eerder sporadisch in Knossos: 4, Mallia: 3, Mamelouko, Pylos, Midea, Eleusis, Orchomenos, Gla en Kreusis). Eén beschreven kleizegel is afkomstig uit Midea, één ivoren zegel uit Medeon en één kiezelsteen werd in Olympia ontdekt.

Voor de datering van de paleisarchieven en van de daarin bewaarde documenten kan men geen beroep doen op de inhoud van de kleitabletten zelf aangezien ze zelden precieze tijdsaanduidingen bevatten. Met behulp van de archeologie daarentegen kan men de gebouwen zelf dateren, en kan men de tijdens de opgravingen teruggevonden voorwerpen vergelijken met de voorwerpen die in de kleitabletten vernoemd worden. Terwijl er een algemene consensus bestaat dat het Lineair B zijn hoogtepunt kende in de 13de eeuw voor Christus, heerst er nog discussie over de datering van het materiaal dat gevonden werd op de afzonderlijke vindplaatsen evenals over de tijdsspanne waarin het Lineair B gebruikt werd.

De these van Arthur John Evans dat de kleitabletten van ca. 1400 voor Christus stammen heeft stand gehouden tot het midden van de 20ste eeuw. Carl Blegen verdedigde in 1958 een datering rond 1190 voor Christus. Ook Leonard Palmer was voorstander van een late datering; hij situeerde de vernietiging van de opslagplaatsen rond 1200 voor Christus. Boardman en Popham pasten de datering van Evans aan tot 1375 voor Christus. Deze datering werd algemeen aanvaard tot het einde van de jaren 70. Erik Hallager stelt in 1977 een datering rond 1300 voor Christus voor. De kleitabletten in de ‚Room of the Chariot‘ zijn afkomstig uit een ouder archief dan alle andere kleitabletten. Het zijn de overblijfselen van een brand in het Laat Bronzen tijdperk en dateren dus van ca. 1390 voor Christus.

De documenten in het ‚Kadmeion‘ dateren uit het LH IIIB1. De tabletten in het zogenaamde ‚Armoury‘-gebouw stammen uit diezelfde periode. De documenten in de ‚Archive room‘ schrijft men toe aan de vroege fase van het LH IIIB/C. Voorts was er nog een opslagplaats die men eveneens dateert in het LH IIIB1. De tabletten teruggevonden in de ‚Pelopidou Street‘ dateren uit LH IIIB2 (i.e. de tweede helft van de 13de eeuw voor Christus). Documenten ontdekt in de buurt van de ‚Treasury‘ dateert men in LH IIIB1. De tabletten gevonden in de citadel van Mycene dateert men in het LH IIIB/C. Diegene die men in een huizenblok op een terras op een heuvelzijde van diezelfde stad heeft ontdekt stammen uit het LH IIIB1.

Het merendeel van de documenten uit Pylos plaatst men in het begin van de 12de eeuw voor Christus. Slechts een kleine minderheid schrijft men toe aan een vroegere periode. De documenten gevonden binnen de citadel van Tiryns stammen uit LH IIIB2; de andere dateert men in het LH IIIB. De documenten uit Midea en de rest van het Griekse vasteland dateert men in het LH IIIB2. In Chania zijn er enkele tabletten teruggevonden uit LM IIIB1, enkele geschilderde inscripties uit LM IIIA2 en nog andere dateren uit LM IIIB of kunnen helemaal niet gedateerd worden.

Doorsnee bevatten de tabletten 10 tot 11 tekens, wat neerkomt op gemiddeld 5 tot 7 woorden per opschrift, al verschilt de omvang in realiteit aanzienlijk. Het hoofddoel van de opschriften was het registreren van belangrijke kwantitatieve gegevens. Ook eigennamen waren heel belangrijk voor de administratie. De tabletten werden uit vochtige klei vervaardigd. Terwijl ze nog vochtig waren, werden ze met een graveerstift beschreven en daarna in de zon gedroogd. De kleitabletten werden niet in het vuur gebakken zoals dat in het Nabije Oosten gebruikelijk was. Gewoonlijk schreef men eerst de zich op dat moment aandienende gegevens op kleine tabletten in de vorm van een palmblad en pas later, als men genoeg gegevens van dezelfde aard verzameld had, schreef men deze over op grotere rechthoekige tabletten. De tabletten werden in gevlochten manden bewaard die men vervolgens op houten rekken plaatste. Ze bevatten de economische gegevens van het lopende jaar. Belangrijke registraties werden op duurzamer materiaal overgeschreven. De tabletten die men niet meer nodig had, werden opnieuw nat gemaakt, hun oppervlak werd glad gestreken en ze werden verder klaargemaakt om opnieuw beschreven te worden.

Het lineair B werd niet in de vaas gegrift, maar op het oppervlak van de vaas geschilderd voor of na het bakken van de keramiek. De meestal erg bondige opschriften geven de naam van de bezitter van de vaas weer. Slechts uitzonderlijk is het opschrift langer, namelijk als de naam van de bezitter uit meerdere delen bestaat.

De documenten worden op grond van hun inhoud geclassificeerd in verschillende reeksen, die op hun beurt nog eens onderverdeeld worden in subreeksen. De hoofdreeksen worden aangeduid met hoofdletters, de subreeksen met kleine letters. De vindplaatsen worden weergegeven met afkortingen (KN: Knossos; PY: Pylos; MY: Mycene; TH: Thebe; TI: Tiryns; KH: Chania). Het concrete document wordt door middel van een inventarisnummer geïdentificeerd.

Willy Schlieker

Willy H. Schlieker (* 28. Januar 1914 in Hamburg; † 12. Juli 1980 in Ramsau bei Berchtesgaden) war ein deutscher Großindustrieller.

Schlieker wurde als Sohn eines Hamburger Werftarbeiters und Kesselschmieds geboren. Er sammelte in den 1930er Jahren als Handelsvertreter Auslandserfahrung auf Haiti und am Balkan. Danach arbeitete er als Abteilungsleiter für den Stahlsektor im Rüstungsministerium von Albert Speer.

1946 beriet er die Engländer beim industriellen Wiederaufbau in Deutschland. Mit dem Kauf eines Anteils an der ehemaligen schlesischen Großhandelsfirma Otto H. Krause zusammen mit Franz H. Kirchfeld 1948 begann sein Aufstieg. Kirchfeld gründete jedoch bereits in den 1950er Jahren eine eigene Firma und schied aus dem gemeinsamen Unternehmen aus.

Schlieker kaufte das Walzwerk Neviges und baute als erster eine Elektroblechfertigung nach dem von ihm entwickelten Dimax-Verfahren auf, das eine Bandfertigung von nahtgeschweißten Elektroblechen ermöglichte. Da er frühzeitig die Gunst der Stunde, das „Kohle-Eisen-Geschäft“ erkannte und nutzte, gelang es ihm, einen eigenen Konzern aus Eisenverarbeitung, Eisenhandel und zeitweise 15 Werften aufzubauen, in denen Erzfrachter, Öltanker und Marinebegleitschiffe gebaut wurden.

Unter dem Dach der Willy H. Schlieker KG Hamburg-Düsseldorf entstand so ein Konzern mit 25 Tochtergesellschaften, der bis zu 7.000 Mitarbeiter beschäftigte. Diesen krönte er 1952 durch die Übernahme der Ottensener Eisenwerk, die aus einer Gießerei und Werft bestand, in der sein Vater einst als Kesselschmied gearbeitet hatte. Schlieker baute sie zu einer der modernsten Werften, der Schlieker-Werft um, in der auch kleine Kriegsschiffe gebaut wurden. Schlieker gehörte zu den „Wirtschaftswunderknaben“, die wie Max Grundig, Gustav Schickedanz, Josef Neckermann und Carl F. W. Borgward untrennbar zum Mythos vom deutschen Wirtschaftswunder gehörten. 1961 erreichte seine Unternehmensgruppe einen Jahresumsatz von US$ 200 Mio. In feinen Hamburger Kreisen, aber auch in der Stahl- und Werftenbranche an Ruhr und Saar galt Schlieker als Außenseiter und neureicher Emporkömmling, der nur über eine geringe Eigenkapitaldecke verfügte und dem die Banken 1962, als Schlieker in eine Liquiditätskrise geriet, sofort seine gesamte Kreditlinie entzogen und ihn aufforderten, seine Kredite glattzustellen, woraufhin Schlieker nichts anderes übrig blieb, als Konkurs anzumelden.

Schlieker lebte danach in dem Jagdhaus seiner Frau in Ramsau bei Berchtesgaden. Er war noch als Unternehmensberater tätig, saß im Aufsichtsrat des Flugzeugbauers Dornier und widmete sich dem Aufbau des Ramsauer Skigebietes „Hochschwarzeck“.

Hohenlepte

Koordinaten:

Hohenlepte ist ein Ortsteil der Stadt Zerbst/Anhalt im Landkreis Anhalt-Bitterfeld in Sachsen-Anhalt, Deutschland.

Bis zum 31. Dezember 2009 war Hohenlepte eine selbständige Gemeinde mit den zugehörigen Ortsteilen Badetz, Kämeritz und Tochheim. Auf einer Gemeindefläche von 19,11 km² lebten 225 Einwohner (31. Dezember 2008). Am 1. Januar 2010 erfolgte die Eingemeindung nach Zerbst/Anhalt. Letzter Bürgermeister von Hohenlepte war Johannes Schäm.

Das Dorf Hohenlepte vier Kilometer westlich von Zerbst erstreckt sich von der unteren Nuthe bis zur Elbe. Das Gelände des Gemeindegebietes inmitten des Biosphärenreservates Mittelelbe fällt zur Elbe hin leicht ab. Südlich von Hohenlepte liegen geschützte Auwälder (Steckby-Lödderitzer Forst), in denen unter anderem Biber heimisch sind.

Das Wappen wurde am 15. Februar 1996 durch das Regierungspräsidium Dessau genehmigt und im Landeshauptarchiv Magdeburg unter der Wappenrollennummer 14/1996 registriert.

Blasonierung: „In Rot eine bewurzelte silberne Linde vor einer erniedrigten silbernen Wellenleiste.“

Die Farben Hohenleptes sind Silber (Weiß) – Rot.

Hohenlepte grenzt mit der Gemarkung Tochheim an die Elbe, die diese Landschaft prägt und entscheidend beeinflusst. Die Linde steht laut Ortschronik seit dem 17. Jahrhundert als Symbol Hohenleptes. Der Wellenbalken symbolisiert die Elbe, das Rot des Wappenschildes die Fruchtbarkeit des Bodens des durch die Landwirtschaft geprägten Ortes.

Die Straßenverbindungen von Zerbst nach Calbe (Saale) und Barby führen über Hohenlepte. Im Ortsteil Tochheim verkehrt dabei eine der wenigen heute noch benutzten Gierseilfähren nach Breitenhagen im Salzlandkreis. Die nächsten Bahnhöfe befinden sich in Güterglück bzw. in Zerbst (Bahnlinie Magdeburg – Dessau-Roßlau).

Bias | Bornum | Buhlendorf | Deetz | Dobritz | Gehrden | Gödnitz | Grimme | Güterglück | Hohenlepte | Jütrichau | Leps | Lindau | Luso | Moritz | Nedlitz | Nutha | Polenzko | Reuden | Steutz | Straguth | Walternienburg | Zernitz

Shimmy Shimmy Ya

Shimmy Shimmy Ya“ is the second single by Ol‘ Dirty Bastard, from the album Return to the 36 Chambers: The Dirty Version. It was produced by fellow Wu Tang Clan member RZA The song was ranked number 59 on VH1’s 100 Greatest Songs of Hip Hop.

A music video was created for the song, directed by Hype Williams.[citation needed] The video shows a depiction of the 1970s, in which large afros and platform shoes were considered fashionable.

A remix by Bay Area producer Studio Ton, featuring MC Eiht & E-40, was released as a one-song promotional single. A video was made for the remix with special effects involving fire.

The song was used in many movies & TV shows. It was used in the opening scene of the movie Knocked Up. An excerpt of the song was used in the third episode of Fresh Off the Boat. The song was also used for the Luke Cage trailer. The song is included in the highly acclaimed Skate 3 video game soundtrack

The song was covered by dancehall musician Prince Fatty; A similar version of this song was used in the TV show Breaking Bad.

„Shimmy Shimmy Ya“ Written by RZA (as Robert Diggs Jr.) and Ol‘ Dirty Bastard (as Russell Jones) Performed by Ol‘ Dirty Bastard Courtesy of Elektra Entertainment By Arrangement with Warner Special Products

Imidazol

1H-Imidazol – heterocykliczny związek chemiczny o charakterze aromatycznym. Substancje zawierające w swej strukturze pierścień imidazolowy są rozpowszechnione w przyrodzie, wiele z nich ma istotne funkcje biologiczne. Przykładem może być aminokwas białkowy histydyna, a także aminy biogenne takie jak histamina. Ugrupowanie imidazolowe obecne jest w wielu lekach o charakterze przeciwgrzybicznym (np. nitroimidazol) oraz w alkaloidach imidazolowych. Tautomerem 1H-imidazolu jest niearomatyczny 2H-imidazol (oba są 1,3-diazolami), a metamerem – aromatyczny pirazol (1,2-diazol).

Imidazol został po raz pierwszy otrzymany przez Heinricha Debusa w 1858, jednakże wiele pochodnych tego związku było znanych już w latach 40. XIX wieku. Synteza imidazolu została przeprowadzona przy użyciu glioksalu i formaldehydu w środowisku amoniaku. Synteza Debusa, mimo stosunkowo niskiej wydajności nadal znajduje zastosowanie do otrzymywania C-podstawionych imidazoli.

Obecnie istnieje wiele modyfikacji tej metody. W jednej z nich reagentami są dibenzoil, formaldehyd oraz amoniak. Stosowanym rozpuszczalnikiem jest lodowaty kwas octowy a sam proces jest przyśpieszany przy użyciu mikrofal. Produktem reakcji jest 2,4,5-trifenyloimidazol.

Imidazol tworzy pięcioczłonowy, płaski pierścień o charakterze aromatycznym (posiada sekstet elektronów π i spełnia regułę Hückla). Ponieważ jeden z atomów wodoru jest labilny i może być położony na jednym z dwóch atomów azotu imidazol może występować w dwóch równoważnych formach tautomerycznych. Z powodu znacznego momentu dipolowego związek ten jest wysoce polarny, dlatego też cechuje się dobrą rozpuszczalnością w wodzie i innych rozpuszczalnikach polarnych. Poniżej przedstawiono kilka struktur rezonansowych imidazolu.

Imidazol wykazuje własności amfoteryczne, tj. może być zarówno donorem protonów (kwasowa grupa >N-H), jak i akceptorem protonów (zasadowa grupa =N-). Imidazol jest bardzo słabym kwasem, jego pKa wynosi 14,5, co czyni go kwasem słabszym od kwasów karboksylowych, fenoli oraz imidów, jednakże mocniejszym od alkoholi. pKbH+ imidazolu wynosi 7, co oznacza, że jest on stosunkowo słabą zasadą, znacznie słabszą od amin alifatycznych (pKbH+ ok. 10–11), jednak ok. 100-krotnie silniejszą od pirydyny i amin aromatycznych (pKbH+ ok. 5).

Istnieje wiele metod pozwalających na syntezę układu imidazolowego. Wiele z nich pozwala na wprowadzenie do pierścienia różnych grup funkcyjnych. Syntezy te mogą zostać sklasyfikowane na podstawie ilości tworzonych wiązań, koniecznych do utworzenia układu heterocyklicznego. Przykładowo synteza Debusa wymaga uformowania wiązań (1,2), (3,4) oraz (1,5) przez co zaliczana jest do grupy syntez poprzez 3 wiązania. Poniżej zostaną przedstawione wybrane metody syntezy układu imidazolowego oraz jego pochodnych funkcjonalnych.

Wiązania (1,5) oraz (3,4) mogą zostać utworzone w wyniku reakcji imidu z α-aminoaldehydem lub α-aminoacetalem w wyniku czego ma miejsce cyklizacja prowadząca do utworzenia pierścienia imidazolowego

Wiązania (1,2) oraz (2,3) mogą zostać łatwo utworzone poprzez reakcję 1,2-diaminoalkanu z alkoholem, aldehydem lub kwasem karboksylowym w wysokiej temperaturze. Proces wymaga użycia katalizatora takiego jak tlenek glinu lub platyna, który służy do dehydrogenacji powstałego produktu kondensacji.

Wiązania (1,2) i (3,4) mogą zostać utworzone przez ogrzewanie N-podstawionych α-aminoketonów z formamidem. Pomimo relatywnie niskiej wydajności metoda ta jest dogodna do syntezy 1,4-dipodstawionych pochodnych imidazolu.

Obecnie jest to główna metoda syntezy, charakteryzuje się ona wysoką wydajnością także w przypadku otrzymywania pochodnych imidazolu. Zasadniczo stanowi ona adaptację metody nazywanej syntezy Debusa-Radziszewskiego. Wyjściowym materiałem są podstawiony glioksal, aldehyd amina oraz amoniak lub sól amoniowa.

Możliwe jest otrzymanie imidazolu poprzez fotolizę pochodnych tetrazolu. Proces daje dobrą wydajność jedynie wtedy, gdy 1-winylotetrazol jest efektywnie generowany ze związków cynoorganicznych takich jak 2-tributylostannylotetrazol.

Innym przykładem syntezy układu imidazolowego jest reakcja w fazie gazowej. Zachodzi ona w zakresie temperatur pomiędzy 340 a 480 °C, substratami są formamid, etylenodiamina oraz wodór. Reakcja wymaga użycia katalizatorów metalicznych i prowadzi do uzyskania bardzo czystego produktu.

Ciekawą drogą syntezy jest otrzymywanie arylowych pochodnych imidazolu poprzez wykorzystanie związków dikarbonylowych.

Zarówno sam imidazol, jak i związki zawierające układ imidazolowy znalazły wiele zastosowań. Jednym z zastosowań imidazolu jest oczyszczanie białek modyfikowanych genetycznie. Jeżeli białko takie posiada na jednym z końców sekwencję złożona z kilku powtórzonych histydyn to może ono zostać oczyszczone za pomocą chromatografii powinowactwa na złożu zawierającym kationy niklowe. Roztwór imidazolu jest wykorzystywany do wypłukiwania związanych białek (jest to możliwe z uwagi na to, że kompleksy tworzone z niklem przez cząsteczki imidazolu są stabilniejsze niż te tworzone przez peptyd polihistydynowy).

Wiele pochodnych imidazolu ma zastosowanie w przemyśle i technice. Termostabilne tworzywo sztuczne, polibenzoimidazol zbudowane jest z polimerycznych łańcuchów, zawierających reszty imidazolowe połączone z pierścieniami benzenu. Wiele związków stosowanych w elektronice oraz przemyśle fotograficznym także zawiera pierścień imidazolowy. Sam imidazol jest często stosowany jako inhibitor procesów korozji wielu metali przejściowych takich jak miedź.

Ugrupowanie imidazolowe wchodzi w skład wielu leków. Syntetyczne pochodne imidazolu zawarte są w wielu fungicydach, stosowanych w leczeniu poważnych grzybic oraz lekach skierowanych przeciw pierwotniakom oraz nadciśnieniu tętniczemu. Pierścień imidazolu jest obecny w cząsteczce teofiliny, będącej alkaloidem stymulującym ośrodkowy układ nerwowy. Ponadto pierścień ten występuje w merkaptopurynie stosowanej w leczeniu niektórych typów białaczek.

Wiele naturalnych związków biologicznie czynnych zawiera ugrupowanie imidazolowe. Jednym z najistotniejszych jest histydyna, będąca aminokwasem białkowym. Bardzo wiele enzymów zawiera reszty histydynowe w swoich centrach aktywnych. Aminokwas ten może ulec dekarboksylacji do histaminy, będącej jedną z tzw. amin biogennych. Związek ten odpowiedzialny jest za występowanie wielu objawów odpowiedzi alergicznych oraz pełni rolę neurotransmitera w układzie nerwowym.

Bernabé Ferreyra

Vous pouvez partager vos connaissances en l’améliorant (comment ?) selon les recommandations des projets correspondants.

Bernabé Ferreyra, né le à Rufino et mort le (à 63 ans), est un footballeur argentin des années 1930.

Il fut l’un des tout premiers footballeurs professionnels dans la Fédération d’Argentine de football et connut une grande popularité au point qu’un film fut réalisé au sujet de sa vie.

En 1927

Brazil Home RAMIRES 16 Jerseys

Brazil Home RAMIRES 16 Jerseys

BUY NOW

$266.58
$31.99

, il commence sa carrière au CA Tigre quand le football argentin est encore amateur. En 1932, il est transféré pour une somme record (l’équivalent aujourd’hui de 26 000 €) au CA River Plate, club dans lequel il évoluera jusqu’à sa retraite en 1939.

Durant toute sa carrière, il fut surnommé El Mortar de Rufino (Le Canonnier de Rufino) pour son talent de buteur ou La Fiera (La Bête).

Il remporte trois championnats d’Argentine avec le CA River Plate (1932, 1936 et 1937) dont une où il termine meilleur buteur. Il fait aussi une brève apparition en sélection argentine (4 sélections) sans toutefois disputer de coupe du monde.

Il est l’un des rares footballeurs à avoir une moyenne supérieure à un but par match, en effet il marquera 206 buts en 197 rencontres, au point que le quotidien Critica offrit une récompense au premier gardien qui garderait sa cage inviolée face à Bernabé.

Suzanne Klotz

Suzanne Klotz (born 1944) is a painter and sculptor active in Arizona. She has established numerous multi-cultural art programs, workshops

United States Away JOHANNSSON 9 Jerseys

United States Away JOHANNSSON 9 Jerseys

BUY NOW

$266.58
$31.99

, and exhibitions in several countries including Australia, Africa, Mexico, Taiwan, Israel, Palestine, and the United States.

Klotz attended Washington University in St. Louis for two years of undergraduate education. She holds a BFA Degree from the Kansas City Art Institute, MFA Degree from Texas Tech University, and Secondary Teaching Certification from the University of Missouri Kansas City.

In 1990, Klotz was an artist-in-residence and arts consultant at the Jerry Mason Memorial Aborigine Centre in Berri, South Australia. Between 1990 and 1996 she arranged exhibitions and art collaborations between Israeli and Palestinian artists during guest artist residencies at Mishkenot Sha’ananim, a non-governmental, non-political, International Cultural Centre in Jerusalem.

Klotz received the 2013-14 Bi-National Fulbright Scholar Award (Aman, Jordan). Other grants and awards include the Pollock-Krasner Foundation, the Puffin Foundation, Change Inc, the New York Artists‘ Fellowship, Capelli d’Angeli Foundation, the National Endowment for the Arts, Arizona Artists‘ 3-D Fellowship, an Arizona Governor’s Award for Women Who Create and Educate, a City Improvement Award for a commissioned public park sculpture, and Texas Tech University’s Most Distinguished 2-D Graduate Alumni Award. In addition

Argentina Home GAITAN 20 Jerseys

Argentina Home GAITAN 20 Jerseys

BUY NOW

$266.58
$31.99

, the Palestine Children’s Welfare Fund established a Palestinian Educators Scholarship Endowed Fund dedicated to Suzanne Klotz.

Klotz’s academic appointments include universities and colleges in Arizona, California, Texas and Utah. Her art has been exhibited in over 300 exhibitions internationally since 1972 and is in numerous private and public collections including the Smithsonian Museum of American Art, Phoenix Art Museum and El Paso Museum of Art.

Printers Inc. Bookstore

Printers Inc. Bookstore (1978–2001) was an independent bookstore in Palo Alto and Mountain View, California, that closed in 2001. Printers Inc is referenced in sonnets 8.13-8.16 of Vikram Seth’s 1986 novel, The Golden Gate.

In 1978, five Kepler’s Books alumni (including Jerry Shurtleff) founded Printers Inc. Bookstore. The original Palo Alto store at 310 California Avenue occupied a former thrift store location. A second store was located at 301 Castro Street in Mountain View, California. Printers Inc. Bookstore was also a popular destination for Stanford University students. The Printers Inc. Cafe originally shared space in the California Avenue branch in Palo Alto and subsequently moved next door. American author Frances Mayes describes this history in her 2006 memoir, A Year in the World: Journeys of a Passionate Traveller:

Susan and Kate, with their friend Jerry, then opened Printers Inc., a literary bookstore on California Street in Palo Alto. They installed a coffee bar/cafe, which was revolutionary. No other bookstore in California, or maybe the United States, had done that in 1978. We were sipping cappuccinos and reading Merwin at Printers long before Starbucks ever pulled an espresso. The bookstore for its whole life was a fulcrum for the entire community and surroundings. Meet me at Printers. Eventually they expanded into an adjacent building for a larger cafe. The reading series was stellar. They opened a second store.

In the early 1990s, chain bookstores such as Borders and Barnes & Noble began to compete with independent bookstores such as Printers Inc. The rise of Amazon.com also affected Printers Inc. and other independent bookstores. Thus, in December 1998, Printers Inc. announced that it would be closing. The local community protested the closing, however, as the owners began to search for a new partner. In March 1999 Printers Inc. was resurrected under new management. This management lasted until 2001 when Printers Inc. Bookstore closed for good. The Printers Inc. Cafe, however, did not close as it is under different management.

The 2006 documentary Indies Under Fire tells the story of Printers Inc. and other independent bookstores affected by the new economy. Director Jacob Bricca stated that he made the documentary after Printers Inc. closed: „I took the [store’s closing] very personally […] I grew up in Palo Alto and spent many hours reading and hanging out at Printers Inc. I saw the strong connection the community had to the bookstore and

Brazil Home RONALDINHO 10 Jerseys

Brazil Home RONALDINHO 10 Jerseys

BUY NOW

$266.58
$31.99

, like others in the film, was very distressed at its closing.“

Coordinates:

Heroscape

Heroscape es un sistema de juego modular y expandible creado por Milton Bradley, subsidiaria de Hasbro.

Heroscape se lanzó en 2004, y su versión en español en octubre de 2005

Real Madrid Club de Fútbol Home ILLARRA 24 Jerseys

Real Madrid Club de Fútbol Home ILLARRA 24 Jerseys

BUY NOW

$266.58
$31.99

. Fue diseñado por Craig Van Ness y Rob Daviau. Son los mismos diseñadores que crearon HeroQuest y Battlemasters.

Para jugar, se necesita una caja básica conocida como master set. El nombre comercial de esta caja es „Auge de la Valquiria“. Esta caja contiene 30 miniaturas pintadas, tarjetas con las estadísticas de los diferentes guerreros, y un tablero hexagonal modular de plástico que permite la construcción de una gran variedad de tableros tridimensionales. Se incluyen dos libros de reglas, contemplando dos niveles de dificultad. Las reglas básicas permiten un juego simple y rápido, para jugadores a partir de 8 años, mientras que las reglas avanzadas están diseñadas para jugadores más experimentados. Todos los escenarios se pueden jugar con cualquier conjunto de reglas.

La versión estadounidense del master set está disponible en tres ediciones, mientras que la versión española solo tiene una edición.

La primera edición del juego contiene un conjunto de hexágonos traslúcidos azules para representar el agua. A partir de la segunda edición estas piezas son opacas, lo que convierte a las primeras en piezas de coleccionista. Esta segunda edición también se diferencia en la caja, los dados y un pequeño lavado de cara de las reglas. La cadena comercial Walmart puso a la venta una edición especial, idéntica a la segunda edición de Hasbro, pero adjuntando tres figuras adicionales.

La edición publicada en español corresponde a la segunda edición estadounidense.

Heroscape ha sido un rotundo éxito en aquellos países donde se ha publicado. Es una práctica habitual comprar varios master set, dado que es la única manera de obtener gran cantidad de piezas de terreno.

Hasbro ha publicado en Estados Unidos varias expansiones para ampliar el juego básico. Hasta noviembre de 2005 se han publicado 15 extensiones, cada una de las cuales contiene figuras y piezas de terreno, junto con reglas adicionales. La expansión más común contiene entre 5 y 7 figuras y de cuatro a seis hexágonos de terreno. Al igual que otros juegos como Mage Knight o Heroclix las nuevas figuras introducen nuevas variantes de reglas y excepciones, haciendo el juego más complicado y divertido. Hay que notar que Hasbro en ningún momento se ha decantado por hacer de Heroscape un juego coleccionable, de manera que no hay que comprar a ciegas expansiones para conseguir objetos y figuras especiales.

Talaiotische Siedlung von S’Illot

Poblat talaiòtic de s’Illot

Lage auf Mallorca

Die talaiotische Siedlung von S’Illot (mallorquinisch Poblat talaiòtic de s’Illot) ist eine archäologische Ausgrabungsstätte einer der bronzezeitlichen Talaiot-Kultur (auch Talayot-Kultur) zugerechneten Siedlung auf der spanischen Baleareninsel Mallorca. Sie befindet sich an der Ostküste der Insel auf dem Gemeindegebiet von Sant Llorenç des Cardassar in der Region (Comarca) Llevant. Das genaue Alter der Siedlung ist nicht bekannt, die ältesten Fundstücke stammen aus der Zeit um 1100 v. Chr.

Der Ort S’Illot ist eine Küstensiedlung an der Cala Moreia, einer kleinen ostmallorquinischen Meeresbucht, und liegt zwischen den Siedlungen Sa Coma im Norden und Cala Morlanda an der gleichnamigen südlich anschließenden Bucht Cala Morlanda. Die drei als Touristen-Orte angelegten Siedlungen direkt am Meer gehen jeweils ohne sichtbare Grenze ineinander über. S’Illot wird dabei durch die Gemeindegrenze am Torrent de Ca n’Amer, einem Sturzbach (Torrent), zwischen den Gemeinden Sant Llorenç des Cardassar und Manacor geteilt und durch beide getrennt verwaltet.

Die prähistorischen Reste der talaiotischen Siedlung von S’Illot befinden sich etwa 100 Meter nordöstlich des Torrent de Ca n’Amer, innerhalb des Siedlungsteils von S’Illot, der zu Sant Llorenç des Cardassar gehört. Die vollständig durch die Bauten des Touristen-Ortes umschlossene Ausgrabungsstätte hat eine Ausdehnung von circa 8000 m² und liegt 100 Meter entfernt von der Küste der Cala Moreia. Begrenzt wird das Areal durch die Straßen Carrer Llebeig, Carrer Gregal und Carrer Rosa dels Vents. Die Straße, die S’Illot mit dem Inselinneren Richtung Son Carrió und der Küstenstraße MA-4023 verbindet, die namentlich unbenannte MA-4021, endet direkt an der Ausgrabungsstätte. Das Gelände ist nicht umzäunt und daher frei zugänglich. Westlich angrenzend in der Carrer de Llebeig befindet sich ein Besucherzentrum, in dem Informationen zur Geschichte des talaiotischen Dorfes vermittelt werden.

Die auf einer ebenen Fläche errichtete talaiotische Siedlung von S’Illot wird an der Westseite durch eine Zyklopenmauer begrenzt, die einen halbkreisförmigen Grundriss aufweist. Sie umgab möglicherweise in vergangener Zeit die ganze Anlage, was bis heute jedoch nicht geklärt werden konnte. Einzelne Gebäude im Süden der Siedlung scheinen in diese Mauer integriert gewesen zu sein. Die erhaltenen Mauerreste bestehen aus großen ungefügten Steinen nach außen, die vertikal aufgestellt wurden, einem mit Schotter verfüllten Zwischenraum und mittelgroßen, waagerecht liegenden Steinen zum Inneren der Siedlung.

Einer der drei Talaiot genannten Türme der Siedlung befindet sich nordwestlich des Mauerrings. Er hat eine runde Form und einen südlichen Anbau, der den Turm mit der Außenseite der Umfassungsmauer verbindet. Die Großstein-Mauer endet auf Höhe dieses Talaiot, so dass die Nord- und Westseite der talaiotischen Siedlung heute offenstehen. Nur Büsche und kleine Bäume behindern von diesen Seiten stellenweise den Zugang zu den Siedlungsresten. An der Nordseite wurde seitens der Gemeinde Sant Llorenç des Cardassar eine Informationstafel mit Lageplan aufgestellt.

Das Zentrum der frühgeschichtliche Anlage bildete der quadratische Haupt-Talaiot, der mit seinen ungeordnet anschließenden Anbauten auf dem nordöstlichen Bereich der Ausgrabungsstätte steht. Er wurde zwischen 1960 und 1970 von Forschern der Philipps-Universität Marburg freigelegt. Neben den kleineren, häufig viereckigen Anbauten mit abgerundeten Abschlüssen weist das Zentralmonument südöstlich eine Erweiterung durch eine nierenförmige Kammer auf, unter der ein unterirdischer Gang zu einem Süßwassersee führt. Durch Um- und Anbauten späterer Epochen sind die ursprünglichen Merkmale des Haupt-Talaiot nicht erhalten.

Am Südende der Ausgrabungsstätte steht der dritte Turm der talaiotischen Siedlung. Er hat einen runden Grundriss mit einem westlichen Zugang vom Inneren der Siedlung. Dieser Talaiot wird wie der Zentralbau von mehreren quadratischen Anbauten umgeben. Einige der Anbauten weisen die Besonderheit auf, dass sie die westliche Umfassungsmauer fortzusetzen scheinen. Gegen eine Schutzfunktion nach außen sprechen bei einigen dieser Räume jedoch die Anlage der Eingangsbereiche, die nach Süden bzw. Westen in Richtung Außenbereich der Siedlung angelegt sind. Möglich ist eine frühere Meereslage dieser Gebäude an der heute 100 Meter entfernten Küste, da das Gebiet von S’Illot in der Vergangenheit Marschland war.

Westliche Umfassungsmauer

Zentralmonument

Hufeisenförmiges Heiligtum

Südlicher Talaiot

Zwischen dem südlichen Talaiot, dem Zentralmonument und der westlichen Umfassungsmauer sind die Grundmauern zweier Heiligtümer erhalten geblieben. Beide haben einen hufeisenförmigen Grundriss, das heißt, einer geraden Seite, an der sich der jeweilige Eingang befindet, liegt eine halbrunde Seite gegenüber. Die beiden Heiligtümer der Siedlung von S’Illot stehen einander etwas versetzt mit den geraden Seiten gegenüber. Die Überzeugung, dass es sich bei diesen Bauwerken um Heiligtümer gehandelt habe, schloss man aus ähnlichen Bauwerken anderer talaiotischer Siedlungen der Insel, in denen Kultgegenstände und Reste von Opfertieren oder Ritualmahlzeiten gefunden wurden. In S’Illot fand man keine derartigen Hinweise.

Das Zeitalter des Talaiotikum auf Mallorca reichte von etwa 1300 v. Chr. bis zur römischen Eroberung der Insel im Jahr 123 v. Chr. Bei der Talaiot-Kultur handelt es sich um eine Megalithkultur zwischen dem Ende der Bronze- und dem Beginn der Eisenzeit, gekennzeichnet durch Turm- und andere Bauten in Großstein-Bauweise. Der Name talaiot (katalanisch) sowie talayot (kastilisch) ist vom katalanischen Wort talaia für „Beobachtungs- und Wachturm“ abgeleitet, das seinen Ursprung im arabischen atalaji für „Wache“ hat. Ähnliche Bauwerke entstanden in diesem Zeitraum auch auf Menorca, Korsika, Sardinien und Pantelleria. Das Talaiotikum wird in vier Abschnitte eingeteilt, wobei die ersten beiden bzw. die letzten beiden dieser Zeitabschnitte zueinander geringere Unterschiede aufweisen.

Die Zeit des Talaiotikum I, beginnend um 1300 v. Chr., ist gekennzeichnet durch das Aufkommen unterirdischer Grabstätten und einzelstehender Türme in besagter Megalith-Bauweise, der sogenannten Zyklopen-Technik. Im Talaiotikum II, ab ca. 1000 v. Chr., kamen ummauerte Einfriedungen der Siedlungen hinzu. Aus diesen beiden Abschnitten der ersten Periode der Talaiot-Kultur sind Fundstücke aus gewöhnlicher Keramik, Begräbnis-Keramik, Bronze-Waffen und -Werkzeuge und bearbeitete Knochen bekannt.

In den Bodenschichten, die den Jahren nach 800 v. Chr. zugerechnet werden, fand man zusätzlich zu Keramiken und Figuren aus Bronze auch Gegenstände aus Blei und Eisen. Verschiedene Fundstücke lassen auf einen beginnenden Handel mit den Karthagern schließen, die um 654 v. Chr. eine Handelsniederlassung auf Ibiza gründeten. Die Siedlungen erhielten in diesem Abschnitt des Talaiotikum III Anbauten mit rechteckigem Grundriss sowie Hypostylos-Säle (Säulensäle) und durch Ausgrabungen kann auf einen Stierkult mit Feuerbestattung geschlossen werden.

Im Talaiotikum IV ab etwa 500 v. Chr. ging man zur Bestattungsform in Fötusstellung (in Kalk) über. Baulich entstanden Heiligtümer (Sanktuarien) und bei den Keramiken kamen Nachbildungen karthagisch/phönizischer und römischer Formen auf, was als Akkulturation bezeichnet wird. Die offensive Bewaffnung (Schwerter, Messer, Lanzenspitzen) sowie die Vielfalt der Werkzeuge nahm an Bedeutung zu. Der Einfluss anderer mittelländischer Zivilisation führte zu einer allmählichen Veränderung der einheimischen Kultur

United States Away CHANDLER 21 Jerseys

United States Away CHANDLER 21 Jerseys

BUY NOW

$266.58
$31.99

, was nicht nur an den Fundstücken damaliger Haushaltsgeräte, sondern auch der spirituellen und künstlerischen Werke deutlich wird, wie zum Beispiel Helden- und Krieger-Ikonen (kleinen Statuen, bekannt unter dem Namen „Mars Balearicus“).

Siedlungsansicht

Säulensaal / Schnitt

Talaiot mit 2. Etage

Talaiot (Turm)

Anhand von C-14-Analysen von verkohlten Holzsplittern aus den unteren Bodenschichten konnten die frühesten Fundstücke der prähistorischen Siedlung von S’Illot auf die Zeit um 1100 v. Chr. datiert werden. Unter dem Haupt-Talaiot gefundene Mauerzüge mit absidialem Grundriss, wobei es sich wohl um Reste von Navetas handelt, legen eine vortalaiotische Besiedlung des Bereiches der Siedlung nahe. Diese vor 1300 v. Chr. errichteten Bauwerke bildeten die Fundamente für das Zentralmonument und dessen Anbauten. Die beiden runden Talaiots sind der gleichen Zeit zuzurechnen, in denen der quadratische Haupt-Talaiot entstand.

In einem späteren Zeitabschnitt wurde die Umfassungsmauer errichtet. Auch die hufeisenförmigen Heiligtümer sind jüngeren Datums. Einzelne Gebäude wurden nachträglich an die vorhandene Bebauung angebaut, andere Räume, wie auch der quadratische Talaiot im Zentrum, umgebaut oder erweitert. Aus der heute bekannten Ausdehnung der Siedlung wird die Einwohnerzahl auf etwa 200 Menschen geschätzt. Bewohnt war die Talaiot-Siedlung, mit Ausnahme einer Besiedlungslücke nach der römischen Eroberung Mallorcas im Jahr 123 v. Chr., auch in spätrömischer Zeit bis einschließlich der islamischen Epoche.

Die Einwohner der Siedlung lebten hauptsächlich von Landwirtschaft und Viehzucht. Außerdem wurde Fischfang, Weichtiersammlung und Jagd betrieben. Jagdbares Wild waren damals Wildvogelarten, Rothirsche, Damhirsche, Wildschweine, Wildkatzen und Mönchsrobben. Bezeugt ist das durch die Grabungsergebnisse. Auf die Viehzucht weisen Knochenfunde von Schafen, Ziegen, Schweinen und Rindern

Brazil Home DAVID ALVES 2 Jerseys

Brazil Home DAVID ALVES 2 Jerseys

BUY NOW

$266.58
$31.99

, auf landwirtschaftliche Betätigung das Auffinden von Handmühlen, Mörsern und Stößeln hin.

Unklar ist bis heute die Einordnung der fünf Talaiots und eines Grabhügels, die sich verstreut auf einem Territorium etwa zwei Kilometer um die talaiotische Siedlung von S’Illot befinden. Bei den Talaiots handelt es sich um die von Na Pol, Na Gatera, Ca n’Amer, sa Gruta und den Talaiot an der Küste nördlich der Cala Morlanda, die wie in einem Bogen um S’Illot angeordnet sind und ungefähr gleiche Abstände zueinander haben. Eine Beobachtungs- oder Verteidigungsfunktion für die Siedlung wäre möglich.

Talaiot de na Pol

Talaiot de Cala Morlanda

Talaiot de sa Gruta

Talaiot de na Gatera

Von der Größe her ist die talaiotische Siedlung von S’Illot eine der bedeutendsten Ansiedlungen der Talaiot-Kultur im Osten Mallorcas. Geht man in dieser Epoche von überseeischen Verbindungen aus, dürfte sie auch eine besondere Rolle beim Handel und Kulturaustausch mit den verwandten Kulturen auf den östlich Mallorcas gelegenen anderen Inseln des westlichen Mittelmeeres gespielt haben.